Het ‘Kinderwetje van Van Houten’ moest in 1874 een einde maken aan kinderarbeid. Op de prent zien we dankbare kinderen die Samuel van Houten danken voor zijn initiatief.
Bron: www.innl.nl/page/1064/nl.
Bij het woord ‘kinderarbeid’ denken we aan een ver en arm buitenland waar kinderen onder erbarmelijke omstandigheden proberen hun kostje bij elkaar te scharrelen. Ruim een eeuw geleden was de situatie in Nederland voor een groot aantal kinderen echter vergelijkbaar. Door de noodzaak om bij te dragen aan het gezinsinkomen maakten kinderen vanaf hun vijfde of zesde jaar lange dagen, soms wel twaalf tot zestien uur, in een donkere en ongezonde fabriek. Dag in dag uit.
In de negentiende eeuw vond de industriële revolutie in Nederland plaats. Dankzij de stoommachine kwamen er steeds meer fabrieken. Ook in Geertruidenberg. Naast de reeds bestaande kleinschalige nijverheid was in 1867 de eerste echte fabriek de suikerfabriek van Heere & Co. Daarna volgden andere bedrijven. Omstreeks 1900 werkten in de Bergse industrie 464 mannen, 13 vrouwen en 93 kinderen. Een gedeelte van hen werkte alleen tijdens bepaalde seizoenen. Het loon van de fabrieksarbeider was laag. Te laag om met het hele gezin van te leven. Daarom moesten vrouw en kinderen ook werken. Mannen verdienden zes tot acht gulden (2,70 tot 3,60 euro), vrouwen vier tot zeven gulden (1,80 tot 3,20 euro) en kinderen een tot vijf gulden (0,45 tot 2,25 euro) per week. Een gezin had ongeveer negen gulden (4,09 euro) per week nodig om voeding en huur te betalen. Het extra inkomen van de kinderen was dus hard nodig. Fabrieksdirecteuren maakten graag gebruik van kinderen, omdat ze hen minderen hoefden te betalen dan volwassenen. Uit een onderzoek naar de situatie in 1859 blijkt dat er in dat jaar in heel Nederland ongeveer 450.000 kinderen tussen zes en elf jaar werkten in fabrieken of in de landbouw. De regering van ons land werd toen gedomineerd door de liberalen (vergelijkbaar met de huidige VVD) en zij vonden dat de vrijheid van ondernemers niet ingeperkt mocht worden. Langzamerhand ontstond echter een hervormingsbeweging, ook binnen de liberalen, die sociale wetten wilde invoeren. Het besef groeide dat arbeid erg schadelijk was voor de psychische en lichamelijke gezondheid van kinderen. Daarnaast ontstond omstreeks 1900 een toenemende behoefte aan geschoolde arbeid. Het was dus voordelig om kinderen eerst naar school te sturen en dan pas te laten werken. Het idee van de ambachtsschool vond ook in Geertruidenberg ingang. Het sociaal-liberale lid van de Tweede Kamer, Samuel van Houten, nam in 1874 het initiatief voor de wet die maatregelen nam tegen “overmatigen arbeid en verwaarlozing van kinderen”. Dit zogenoemde kinderwetje van Van Houten beperkte fabrieksarbeid voor kinderen onder de twaalf jaar, maar liet kinderarbeid in de landbouw of in het huishouden toe. Aangezien op de toepassing van deze wet niet gecontroleerd werd, hielden fabrieksdirecteuren zich er niet aan en bleef kinderarbeid bestaan. De Tweede Kamer keurde in 1889 een nieuwe Arbeidswet goed. Deze wet verbood arbeid voor kinderen jonger dan twaalf, ook in de landbouw, en bevatte regels om arbeid van kinderen jonger dan zestien te beperken. Bovendien werden inspecteurs aangesteld om te controleren of iedereen zich aan de wet hield. Toen de kamer in 1900 ook nog de Leerplichtwet aannam, was het definitief gedaan met kinderarbeid in Nederland. Voortaan waren kinderen verplicht om tot hun twaalfde en later tot hun zestiende jaar naar school te gaan. Vakantiewerk en bijbaantjes in de supermarkt of als krantenbezorger zijn alles wat nog rest van de ooit zo normaal gevonden kinderarbeid.
Wil je meer weten over leerplicht klik dan hier.